Home
Vertalingen
Stukken
Strips
Genealogie
CV
Links
Zoek
english version
english version

Cd-toelichting voor Composers' Voice 119, 2001

Michel van der Aa:
Above, Between, Attach,
Just before, Auburn en Oog

Michel van der Aa (1970) is een componist voor wie muziek meer is dan alleen maar geordende klank of constructies van noten. Zelf zegt hij dat zijn werk in de eerste plaats om 'tijd en ruimte' gaat. Dat eerste is nogal vanzelfsprekend, het tweede veel minder. Bovendien is Van der Aa's opvatting van het begrip 'ruimte' ruimhartiger dan die van klassiek-twintigste-eeuwse componisten als Mahler en Stockhausen, die hun muziek vanuit verschillende punten in de concertzaal lieten horen. De ruimte in Van der Aa's muziek is eerder conceptueel van karakter. Het is iets dat zich voordoet in het hoofd van de luisteraar, en daarmee iets dat in hoge mate berust op illusie. Van der Aa speelt daarmee. Zoals M.C. Escher in zijn grafisch werk perspectivische illusie laat botsen met het platte vlak van het papier, zo laat Van der Aa de gespeelde klanken doorklinken in een denkbeeldige kathedraal, om dan met één enkele knip van de schaar over te schakelen naar een gortdroge ruimte en weer terug. Door zulke doorkijkjes ontstaat polyfonie, een wisselwerking van verschillende lagen. Of omgekeerd laat hij de werkelijke en de kunstmatige wereld vervloeien, door de musici te laten playbacken met het elektronisch geluid.

Hoewel veel van Van der Aa's composities een tape-partij, of beter gezegd een soundtrack bevatten, beschouwt hij zichzelf niet als een componist van elektronische muziek. Hij ziet de tape veeleer als een extra instrument.

Het visuele element speelt een belangrijke rol in zijn werk. Zo zijn de gehamerde gitaar-akkoorden in Auburn zo gecomponeerd dat de gitarist steeds grotere sprongen met zijn linkerhand moet maken. En in feite is ook het contrast tussen de levende, zichtbare muzikanten en de 'onzichtbare' soundtrack, een visueel gegeven. Een geluidsopname kan aan dergelijke aspecten uiteraard niet volledig recht doen. Maar in het overgrote deel van Van der Aa's werk, en zeker in de zes werken op deze cd, gaat het toch vooral om wat er klinkt.

Na een opleiding muziekregistratie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag studeerde Michel van der Aa compositie bij Diderik Wagenaar, Gilius van Bergeijk en Louis Andriessen. Hoewel zijn leermeesters alle prominente vertegenwoordigers van de 'Haagse School' zijn en zijn muziek daar ook wel enkele kenmerken van vertoont – met name een constructivistische inslag, en het gebruik van ritme en akkoorden als bouwstenen – klinkt Van der Aa's muziek niet Haags. In plaats van hoekig en monolithisch is ze eerder subtiel, speels en transparant. Maar ze is niet expressief of welluidend in traditionele zin. Van der Aa is een kind van zijn tijd. Waar zijn leraren veelal hebben geworsteld met de doctrines van de seriële muziek bedient hij zich vrijelijk van een atonaal idioom. En de computer is voor hem een vanzelfsprekend gereedschap – niet voor het componeren zelf, maar wel voor het realiseren van de soundtracks. Zijn vaardigheden als geluidstechnicus zijn een wezenlijk deel van zijn compositorische bagage.

De twee cd's in deze box representeren, volgens de componist zelf, verschillende kanten van zijn werk. De trilogie Above-Between-Attach is strenger en formeler van opzet dan de kamermuziekwerken op de tweede cd, die vrijer en verhalender zijn. Alle stukken zijn bovendien beïnvloed door het karakter van de musici en ensembles voor wie ze geschreven zijn.

Zo ontstond Between in 1997, toen Van der Aa composer in residence was bij de Slagwerkgroep Den Haag. De componist omschrijft het als zijn 'meest ingewikkelde stuk', en dat is het ongetwijfeld ook, maar tegelijkertijd is het aantal muzikale bouwstenen zeer beperkt. In het hele stuk klinken niet meer dan vijf tonen. Nadien vatte Van der Aa het plan op om Between met twee stukken uit te breiden: Above voor het Ives Ensemble, en Attach voor het Schönberg Ensemble. De trilogie was bijna voltooid toen Between in 1999 werd bekroond met de prestigieuze Gaudeamusprijs. Above en Attach zijn beide gebaseerd op een vrij gecomponeerde reeks van tien vijftonige akkoorden (waaronder ook het enige akkoord van Between). Elk van de delen van de trilogie kenmerkt zich door een eigen relatie tussen de elektronische en de instrumentale laag, die ook in de titels tot uiting komt. Overigens zijn alle elektronische klanken afgeleid van vantevoren met de ensembles opgenomen instrumentale geluiden – met uitzondering van het geluid van brekende takken, dat Van der Aa als een soort signatuur in vrijwel al zijn stukken gebruikt.

De opening van Above is typerend voor de extreme economie waarmee Van der Aa te werk gaat. De eerste vier minuten zijn gebaseerd op slechts één motief, bestaande uit lange aanzwellende noot, gevolgd door twee 32sten. In combinatie met de tien akkoorden bouwt Van der Aa hiermee een stretto-achtige structuur, waarin de korte noten steeds dichter op elkaar komen te liggen en uiteindelijk kleine melodietjes gaan vormen. Deze structuur komt nog twee maal terug in het stuk, maar dan telkens met een andere elektronische laag 'erboven'.

Als interpunctie fungeren snelle repeterende noten en statische, liggende akkoorden, die in de loop van de eerste herhaling steeds vaker de vloeiende ontwikkeling doorbreken en uiteindelijk de macht overnemen in een passage vol gestoten akkoorden, waarin het ensemble duelleert met de soundtrack. Uiteindelijk keert de muziek terug naar haar uitgangspunt, al is er wel iets veranderd. Het model dat Van der Aa voor ogen stond bij het componeren van Between was een antieke Chinese ivoren bol, waarin kunstig verschillende, beweegbare schillen zijn uitgesneden. Het stuk is te vergelijken met een reis die dwars door die bol heen voert. Between is een veellagig stuk met een symmetrische structuur. Het uitgangspunt is aanvankelijk goed te horen: het slagwerk en de elektronische geluiden nemen het steeds van elkaar over. Het een zit dus 'tussen' het ander. Maar al snel valt het slagwerkkwartet uiteen, eerst tot een duo, dan tot vier individuele spelers, die bovendien elk te maken hebben met een eigen 'tussenpartij' op de band. In het hele eerste segment (A) klinken alleen metalen instrumenten, en slechts één toonhoogte.

Na een climax volgt een B-gedeelte met trommels, dus zonder toonhoogte, waarin live gespeelde klanken en soundtrack telkens weer uiteendrijven en samenvallen. Daarna neemt het metaal het weer over. In dit C-gedeelte is het arsenaal uitgebreid met houten instrumenten, en er zijn twee tonen bijgekomen. In het volgende deel (D) nemen de trommels het weer over, ditmaal in een climactische vierlagige tweespraak die in zijn opzet doet denken aan het A-gedeelte. Het vijfde segment (E) is het hart (maar niet het midden) van het stuk en bestaat slechts uit een lang aangehouden rinkelend akkoord van vijf tonen. Vervolgens legt het stuk het traject in omgekeerde richting af. Maar de lagen van de 'bol' verschuiven, zodat het slagwerk op een zeker moment gelijk op speelt met de soundtrack, zodat er opeens gaten vallen in wat eerst een continue stroom van geluid was.

In Attach zijn de geluiden van het ensemble en de soundtrack aan elkaar geplakt: ze liggen als het ware in elkaars verlengde, ook als ze contrasteren. Het meest prominente ingrediënt is, zoals meteen in het begin te horen is, een regelmatige, mechanische puls, die zich echter wel in verschillende tempi tegelijk voordoet. Het stuk opent met een expositie, waarin dit gegeven wordt afgewisseld met snelle unisono-bewegingen en lang aangehouden akkoorden, die vreemd verkleuren door de 'aangehangen' elektronische klanken. Hierna volgt een veel kalmere muziek, die een scherpzinnige luisteraar wellicht zal herkennen als het begin van Above, maar dan teruggebracht tot het skelet van uiteengetrokken akkoorden. Geleidelijk aan dringen pulsslagen en snellere nootjes dit bezonken weefsel binnen, tot de muziek uiteenspat in een razendsnelle montage waarin flitsende frases, gehamerde akkoorden en dramatische stiltes elkaar afwisselen en geleidelijk aan meer en meer vervlochten raken. Dit alles culmineert in een koortsachtige tutti-beweging, waarin het unisono heeft plaatsgemaakt voor een pijlsnelle opeenvolging van akkoorden (dezelfde tien akkoorden waarop de hele trilogie gebaseerd is). Ten slotte stokt de beweging in een furieus attachment, waarna de kalme tegenmuziek het discours overneemt, dat echter al gauw doorwoekerd raakt met de dorre pulsen die uiteindelijk als enige overblijven. Attach werd in 2000 bekroond met de aanmoedigingsprijs van het Amsterdams Fonds voor de Kunst.

Just Before, het meest recente werk op deze cd is geschreven voor pianiste Tomoko Mukaiyama. Het werk ontstond kort na het voltooien van de trilogie, en vertoont er hoorbaar verwantschap mee, al is het een zelfstandig stuk. Met name de liggende akkoorden en de specht-achtige ostinati zijn gemeenschappelijke kenmerken. Zoals in al Van der Aa's stukken is het materiaal van de soundtrack afgeleid van het instrument zelf. Voor de cd-luisteraar lijkt het hier en daar of de pianiste zich ook met het binnenwerk van de piano bemoeit, maar dat is schijn. In feite blijven haar handelingen beperkt tot het klavier zelf.

De componist vergelijkt de werking van Just before met 'een elastiek dat je langzaam uitrekt en dan in verschillende richtingen terugspringt.' Dat uitrekken vindt plaats in de langzaam opstijgende 'riff' waarmee het stuk begint. De inzet van de soundtrack zorgt voor de eerste ontlading. Dan volgt een rustig, dalend, bijna diatonisch gegeven, als contrast met de nerveuze, dissonante opening, waarvan overigens nog een echo doorklinkt in de soundtrack. Het thema vervaagt en blijft hangen in herhaalde tonen, maar slaat dan langzaam op hol en kruipt naar boven, waarmee een volgende spanningsboog wordt ingezet, ditmaal in combinatie met een opzwepende dosis elektronische geluiden. Als het elastiek op nieuw strakgetrokken is loopt de muziek vast in een dwangmatige spechtbeweging en clusters aan de uiterste grenzen van het register. Opnieuw keert abrupt de rust weer en verschijnt andermaal het melodieuze thema, dat echter al vrijwel direct uit de hand loopt en via een nieuw gehamerd ostinato tot een derde opwaartse beweging leidt. Het stuk eindigt met een paar gonzende lage akkoorden, maar het elastiek springt eigenlijk niet meer terug: de rek is er uit, de hoogste tonen van het klavier zijn bereikt en de soundtrack neemt het hier over van de pianiste.

Auburn stamt uit 1994 en is een naar verhouding 'vroeg' werk van Van der Aa. Zijn streven was met dit stuk niet alleen de intieme, maar ook de ruigere kant van de gitaar te laten zien. Vandaar ook de titel Auburn (roodbruin). De kleuren rood en bruin staan respectievelijk voor de extraverte en de traditionele aspecten van het instrument. Dat contrast komt voortreffelijk tot zijn recht, mede dankzij de elektronische component, die wederom afgeleid is van de klanken van het instrument zelf. Het stuk opent rapsodisch, met akkoordbrekingen en pendelfiguurtjes. Ook hier laat Van der Aa al zien dat hij uit minieme gegevens een boeiend betoog weet te winnen. Haast ongemerkt komt de soundtrack om de hoek kijken. De lange klankbanen krijgen steeds meer profiel, tot na vijf minuten een spectaculaire schuiver voor een omslag zorgt. Er volgt een motorische sectie waarin de gitarist het als een slagwerker tegen een genadeloos voortrazende ritmebox moet opnemen. In de epiloog klinkt de gitaar weer lieflijk en welluidend, maar het decor, een synthetisch mengsel van aangestreken snaren, geeft het geheel een surrealistisch tintje.

Oog voor cello en tape vertoont een zekere gelijkenis met Auburn, dat een jaar eerder geschreven is, alleen komen de verschillende facetten van het instrument – de doorgaande gestreken klank tegenover diverse vormen van staccato-spel – van meet af aan aan bod. Bovendien vertoont het stuk al een paar typische Van der Aa-vingerafdrukken, zoals de dubbele 32sten, en de mechanische puls. Net als in Auburn sluipt de soundtrack vrijwel onopgemerkt de muziek binnen, maar neemt dan geleidelijk het initiatief over. De klanken zijn opnieuw afgetapt van het instrument zelf, met uitzondering van het geluid van ketsende stenen, dat vanaf de climax prominent aanwezig blijft. Opmerkelijk zijn hier de illusionaire contrasten tussen droge en ruimtelijke akoestische effecten. En aan het slot (maar dat is alleen aanschouwelijk bij een live-uitvoering) is ook de muzikale werkelijkheid een illusie, want de celliste doet wel of ze strijkt, maar de laatste toon komt in feite alleen uit de luidsprekers. Dat is immers het soort spel dat Michel van der Aa graag speelt.


© Frits van der Waa 2008