Let op: de website is verhuisd naar fritsvanderwaa.nl

Verschenen in Vrije Geluiden no.22, 9 december 2000

Het nichtje van Mahler


Richard Newman en Karen Kirtley: Alma Rosé: Vienna to Auschwitz. Amadeus Press. ISBN 1 57467 051 4. Hardback, 407 p. Prijs ca f 90,-

Alma Rosé (1906-1944) had het van geen vreemde. Haar vader, Arnold Rosé, was eerste violist van de Wiener Hofoper en aanvoerder van het destijds befaamde Rosé Kwartet. Haar moeder was Justine Mahler, een zuster van de componist Gustav, naar wiens echtgenote Alma vernoemd was. De muziek zat haar dus in de genen.

Het verhaal van Alma, die uiteindelijk in Auschwitz terechtkwam en daar het vrouwenorkest leidde, is al vaker verteld (onder andere in Playing for time, een speelfilm uit 1980, en La chaconne d'Auschwitz, een documentaire uit 1999). Maar nog nooit is het zo grondig onderzocht als de Amerikaanse muziekcriticus Richard Newman heeft gedaan. Zijn boek Alma Rosé: Vienna to Auschwitz, is de neerslag van twintig jaar onderzoek naar haar verre van alledaagse levensloop. Dat hieruit een alleszins leesbaar relaas is voortgekomen is ongetwijfeld mede te danken aan co-auteur Karen Kirtley.

Alma Rosé groeide op in een wereld van weelde en verkeerde van jongs af aan met beroemdheden. Al op prille leeftijd stond voor haar vast dat ze in de voetsporen van haar vader zou treden. Op haar twintigste maakte ze haar officiële debuut in Wenen. Ze moet een violiste van formaat geweest zijn, al werd ze in de kritieken steevast vergeleken met haar vader, en later ook met haar echtgenoot, de befaamde Tsjechische violist Vása Príhoda.

Twee violen op één kussen was geen succes: in 1935, na nog geen vijf jaar, werd het huwelijk ontbonden. Intussen had Alma een damesorkest opgericht, de Wiener Walzermädeln, waarmee ze in heel Oost-Europa triomfen vierde. Hoewel ze een sprankelende persoonlijkheid geweest moet zijn, herinneren tijdgenoten haar als 'een vrouw die nooit lachte'.

Na de 'Anschluß' van maart 1938 werd het de familie Rosé al snel duidelijk dat ze moesten vluchten, maar omdat Alma's moeder ernstig ziek was (ze overleed in augustus) duurde het tot voorjaar 1939 voordat Alma en haar intussen bejaarde vader veilig en wel in Londen aankwamen.

Het probleem was alleen dat daar voor musici geen geld te verdienen viel, zodat Alma besloot over te steken naar het neutrale Nederland, waar meer kans was op emplooi. Daarmee komt het verhaal – voor ons – opeens heel dicht bij huis. Inderdaad slaagde Alma erin werk te vinden (ze leidde een ensemble in Hotel Central in Den Haag), ontmoette hier oude vrienden en had het blijkbaar zo naar haar zin dat ze haar terugkeer telkens uitstelde. Het – zelfs vooraf – voorspelbare gevolg was dat ze na de Duitse inval van 5 mei 1940 hopeloos in de val zat.

Meer dan de helft van het boek is gewijd aan de vier jaar die daarop volgde, en dan vooral aan Alma's laatste levensjaar. Aanvankelijk wist ze zich uitstekend te redden met behulp van huis-optredens, waarbij ze allerlei vooraanstaande Nederlandse musici en componisten leerde kennen. Maar naarmate de bezetter de duimschroeven aandraaide werd het moeilijker. Ten slotte vluchtte Alma in december 1942 naar Zwitserland, maar werd in Dijon opgepakt en belandde een half jaar later in Auschwitz.

Dankzij haar naam en faam werd ze aangesteld als leidster van het vrouwenorkest. De uitvoerige getuigenissen van voormalige orkestleden die Newman heeft opgetekend zijn even fascinerend als navrant.

Alma, die ongetwijfeld vele vrouwen het leven heeft gered door ze in het orkest op te nemen, overleefde zelf het kamp niet. Ze werd ziek op 2 april 1944 en stierf nauwelijks drie dagen later. Over de oorzaak van haar dood doen vele verhalen de ronde. Newman en Kirtley ontzenuwen die en stellen dat Alma Rosé vermoedelijk gestorven is aan botulisme. Een van de andere kapo's, die beter voedsel kregen dan de andere gevangenen, vertoonde namelijk dezelfde symptomen. Waarschijnlijk is de inhoud van een conservenblikje Alma Rosé fataal geworden.


© Frits van der Waa 2007