Let op: de website is verhuisd naar fritsvanderwaa.nl

de Volkskrant van 21-10-2002, Pagina 10, Kunst, Recensie

Pijpers excuus-Truus in flarden

Festival Rotterdamse Muziek 2002 met het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Rotterdam Young Philharmonic o.l.v. Jurjen Hempel, het Doelen Ensemble e.a. 17-19 oktober, De Doelen en Lantaren/Venster, Rotterdam.

'Ik zou het niet leuk vinden als een van mijn stukken in zessen geknipt werd,' reageerde componist Otto Ketting laconiek, toen hem de vraag werd voorgelegd wat hij vindt van de 'Pijper-kwestie'.

Aan de vooravond van het Festival Rotterdamse Muziek - dat dit weekeinde in De Doelen werd gehouden - was namelijk trammelant gerezen, want de programmeurs hadden besloten om de Zes Adagio's van Willem Pijper verspreid over twee avonden uit te voeren. De Pijperstichting maakte daar bezwaar tegen, want dat was een inbreuk op de eenheid van het werk.

Het is inderdaad niet erg waarschijnlijk dat de in 1947 overleden Pijper gelukkig zou zijn geweest met deze wijze van uitvoering. In de praktijk blijken drie van de zes Adagio's te kort om op eigen benen te staan, zodat ze aandoen als in het luchtledige eindigend pauzemuziekjes.

Aan de andere kant zou Pijper nog veel ongelukkiger zijn geweest als hij had geweten dat dit werk in de afgelopen decennia is verworden tot een symbool voor lammenadig programmeren. Bij vrijwel alle orkesten heeft het op de lessenaars gestaan, en dikwijls meer dan eens. Daarmee had men dan weer aan de verplichting voldaan om hedendaagse Nederlandse muziek te spelen.

Gezien die voorgeschiedenis is het eerder een verfrissend besluit van de festivalsamenstellers om nou juist met deze excuus-Truus eens een loopje te nemen. En tot op zekere hoogte werkt het ook wel, namelijk als bindmiddel tussen de soms wel heel heterogene stukken die door de gemeenschappelijke noemer 'Rotterdam' samen op één programma zijn beland.

Rotterdam heeft niet alleen een conservatorium met een bloeiende compositie-afdeling, maar ook een roemrucht muzikaal verleden. In de negentiende eeuw was de stad een pionier op het gebied van de opera's van Wagner. Vandaar dat ook diens Fliegende Holländer-ouverture op het programma prijkt. Ogenschijnlijk een vreemde eend in de bijt, maar het bleek een perfect muzikaal rijm op te leveren met Joep Franssens' Roaring Rotterdam. In dit werk heeft de componist namelijk zo veel golvende strijkerstexturen in de trant van Wagners Rheingold opgenomen, zij het met een iets ander soort akkoorden, dat je als het ware de Rijndochters door de Maas aan hoort komen zwemmen. Dat is overigens verre van onbehaaglijk.

Aanmerkelijk stekeliger is Keten, een nieuw werk voor orgel, trompet en orkest van Hans Koolmees. De titel is opzettelijk dubbelzinnig, maar het is toch een stuk van onbesproken gedrag. De rol van het orgel, bespeeld door Jan Hage, is betrekkelijk bescheiden en beperkt zich in het uitgesponnen middendeel tot het neerleggen van een cluster, terwijl trompettist André Heuvelman het orkest aanstuurt met korte signaalmotieven.

In het eerste deel vindt een rappe uitwisseling van gegevens plaats tussen de solisten en het orkest, waarbij Koolmees' een eigenaardig schots en scheve orde aanbrengt in tonen en ritmes. Het derde deel is aanvankelijk praktisch gelijk aan het eerste, alleen hebben orkest en orgel daarbij stuivertje gewisseld, en spelen elkaars noten.

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest en dirigent Jurjen Hempel leverden een avond eerder een indringende vertolking van de Eerste Symfonie van Rudolf Escher, waarbij ze in het tweede deel een adembenemende verstilling bereikten. Het derde deel is naar verhouding kort en wat oppervlakkig, en maakt duidelijk waarom Escher zelf tot zijn dood heeft zitten sleutelen aan deze symfonie (het werk is in 1991 afgemaakt door Willem Boogman).

Het Rotterdam Young Philharmonic, het opleidingsorkest dat onder de paraplu van het RPhO opereert, liet horen dat het haar op de tanden heeft, met dwingende uitvoeringen van Otto Kettings Robert asks for flowers en Peter-Jan Wagemans' Moloch.

'Je moet als componist zorgen dat mensen willen luisteren,' zei Wagemans tijdens de avondvullende marathon die ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag aan zijn werk gewijd was. Hij maakt daarbij wel onderscheid tussen 'exploitatie' van de klank, zoals de Gorecki's en de Kantsjeli's doen, en 'exploratie', de verkenning.

De bonte optocht van Wagemans-werken en -bewerkingen die volgde, illustreerde zijn streven. Wagemans bekoort het oor met klanken die vertrouwd aandoen, maar zo listig over en na elkaar zijn gedrapeerd dat er telkens iets nieuws tevoorschijn komt, als in een caleidoscoop.

Zo is in vier dagen tijd wel duidelijk dat de Rotterdamse componisten zich openstellen voor tal van invloeden. Maar met 'openheid' alleen heb je nog geen gemeenschappelijke stijl. Dus op de vraag of er nu werkelijk een Rotterdamse School bestaat, moeten we het antwoord voorlopig schuldig blijven.


© Frits van der Waa 2006