Let op: de website is verhuisd naar fritsvanderwaa.nl

de Volkskrant van 19-02-2004, Pagina K9, Kunst katern, Recensie

Snerpende sinustonen

Door Frits van der Waa

Nieuwe bijbel van de klassieke muziek

Het standaardwerk 'X-Y-Z der muziek' van Casper Höweler was een oud beestje geworden. De grondlegger verbood aanpassingen. Nu is er een compleet nieuw 'XYZ'. Maar er zitten nog wat vliegjes in de zalf.

Gedurende vele tientallen jaren was de boekenkast van de doorsnee-muziekliefhebber niet compleet zonder die betrouwbare vraagbaak, het standaardwerk X-Y-Z der muziek van Casper Höweler. Generaties zijn er mee opgegroeid: tussen 1936 en 1997 beleefde het boek maar liefst vierendertig drukken, die tot de dood van de auteur in 1969 geregeld werden herzien. Maar aangezien Höweler bij testament had bepaald dat er aan zijn tekst geen syllabe veranderd mocht worden, was het naslagwerk na al die jaren wel een oud beestje geworden.

Van Holkema & Warendorf, de erfgenaam van de oorspronkelijke uitgeverij, De Haan, vond een elegante oplossing: een nieuw boek, op dezelfde leest geschoeid en met een subtiele verandering in de titel. De redactie van XYZ van de klassieke muziek werd in handen gelegd van Katja Reichenfeld, dochter en opvolger van de befaamde NRC-muziekcriticus Hans Reichenfeld. Anders dan Höweler, die vrijwel alle lemma's zelf schreef, heeft Reichenfeld een team van ruim twintig musicologen en andere specialisten om zich heen verzameld. Desondanks kostte het nog verscheidene jaren voor het nieuwe XYZ het licht zag.

Het is inderdaad een compleet ander boek geworden: zelfs de simpelste omschrijvingen zijn opnieuw geformuleerd. Desondanks is een vergelijking met Höwelers origineel onontkoombaar. En dan is al snel te zien dat de onvermijdelijke uitbreiding van het aantal onderwerpen ten koste is gegaan van de diepgang die Höweler met name in zijn beschouwingen van grote componisten nastreefde. Uitgebreide beschrijvingen van sleutelwerken ontbreken nagenoeg. De keerzijde is dat het nieuwe XYZ een veel breder veld bestrijkt, dat reikt van de 'herontdekte' componisten uit Middeleeuwen en Renaissance tot en met het terrein van de elektronische muziek.

Er is veel gesneuveld. Zo zal men in deze nieuwe editie vergeefs zoeken naar begrippen als stringéndo, súbito, of sul ponticéllo. Nieuw daarentegen zijn (om in dezelfde alfabetische omgeving te blijven) Sturm und Drang, subdominant en syncope - onderwerpen die inderdaad beduidend minder pietluttig zijn. Aangenaam is ook dat vrijwel overal de ietwat persoonlijke toets die ook Höweler nastreefde, gehandhaafd is.

Talloze nieuwe componisten worden hier op het schild geheven, van John Adams tot Rob Zuidam, en hoewel de vraag rijst wat de vergeten barokcomponist Johan Rosenmüller in dit panopticum doet, is het overzicht behoorlijk compleet - ofschoon Reichenfeld zelf in haar voorwoord al aangeeft dat twee belangrijke componisten, Josquin Desprez en Orlando di Lasso, om organisatorische redenen buiten de boot zijn gevallen, een omissie die bij een volgende druk hersteld zal worden.

Die volgende druk zal er vast en zeker komen, want het nieuwe XYZ heeft, zeker door zijn reikwijdte aan onderwerpen, voldoende kaliber om opnieuw vele decennia te doorstaan - dat wil zeggen, zolang het elke tien jaar maar een beetje wordt bijgewerkt.

Desondanks zal Reichenfeld nog veel werk moeten verzetten voor die tweede druk, want hoe veelbelovend ook, bij dit verjongde standaardwerk zitten er nog vele vliegjes in de zalf. Zo is de lay-out tamelijk beroerd: de teksten zijn doorspekt met tussenkopjes die nauwelijks te onderscheiden zijn van nieuwe lemma's, wat een snel overzicht voortdurend in de weg staat. Daarbij zijn de trefwoorden bovenaan de pagina veel te klein afgedrukt en ontbreekt een duidelijke scheiding tussen de beginletters.

Ook in redactioneel opzicht valt er nog veel te verbeteren. Zo is het op de eerste pagina al raak met de schrijnende spelling van a capella - met één p -, een schrijfwijze die is voorbehouden aan dilettanten (inclusief die van het Groene Boekje en Van Dale), maar waartoe tot op heden geen enkel professioneel gezelschap zich zal verlagen. (En voor wie het tot het Latijn wil herleiden: capella met één p betekent geit).

Voorts zijn allerlei begrippen waarnaar wél met een sterretje verwezen wordt, niet te vinden, zoals 'historische uitvoeringspraktijk' en 'akoestiek'. Toegegeven, het onderwerp 'akoestische muziek' wordt wel behandeld, maar de definitie luidt: 'muziek die het oor bereikt via geluidsgolven en niet via elektronische impulsen'. Pure onzin; een knappe luisteraar immers wiens oor het zonder geluidsgolven kan stellen. Zulke bewoordingen raken evenmin kant of wal als de 'snerpende sinustonen' die opduiken in het artikel over Jan Boerman, een beschrijving die om en nabij dezelfde waarde heeft als 'ronde vierkanten'.

Voor de kritische lezer is het prijsschieten bij dit nieuwe lexicon. Wél 'Zappa', maar niet 'Nancarrow'. 'Ars sutilior' in plaats van 'Ars subtilior'. Inconsequente spelling: 'Skryabin', elders 'Skrjabin'. Getalblindheid: '1 miljard billen' tegenover de werkelijke titel 'Een biljoen billen' in het artikel over Chiel Meijering (een 1 met 12 nullen). Enzovoorts.

De beste verwoording van deze maar al te menselijke onvolkomenheden is te vinden in de hartgrondige verzuchting die de niet nader genoemde auteur van het onderdeel 'Tempo' slaakt aan het eind van zijn artikel: 'Je moet het allemaal maar weten.'

Perfect of niet, dit verjongde XYZ helpt daarbij zeker een handje: dit goede begin is beslist meer dan het halve werk. Nu maar in marstempo op naar de volgende editie.

Katja Reichenfeld: XYZ van de klassieke muziek. Van Holkema & Warendorf, euro 30,-. ISBN 90 269 2171 3.


© Frits van der Waa 2006