Home
Vertalingen
Stukken
Strips
Genealogie
CV
Links
Zoek

de Volkskrant, Kunst & Cultuur, 20 oktober 2012

De lastige baas van Olliewood

'Iets wat in de jeugd gebeurd is, is dikwijls het gevolg van een voorval op oudere leeftijd.' Aan deze orakelachtige uitspraak, een van de vele die Marten Toonder op latere leeftijd bezigde, heeft de doorgewinterde biograaf Wim Hazeu wijselijk zijn vingers niet gebrand. Toonder speelde graag spelletjes met de tijd in zijn stripverhalen, bijvoorbeeld in De Klokker of Heer Bommel gaat het overdoen. Maar ook in het werkelijke leven had hij behoefte om correcties aan te brengen op het verleden. Zijn tussen 1992 en 1998 verschenen autobiografie is een mengeling van feiten en fictie, waarbij nodig enkele kanttekeningen moesten worden gemaakt. Hazeu doet dat, en alleen daarom al voorziet zijn biografie, honderd jaar na de geboorte van Toonder, in een behoefte.

Vanaf 1941, het jaar dat de Tom Poesstrip voor het eerst in de krant verscheen, tot aan zijn dood in 2005 is Toonder een publieke figuur geweest. Hij is onmiskenbaar een van de grootste en populairste literatoren die de 20ste eeuw heeft voortgebracht: een meester van de subtiele nuance, of het nu gaat om woordkeus of penseelvoering. Hij is geportretteerd in films en interviews en vele auteurs hebben hun licht laten schijnen over zijn strips. Er was dus veel bekend over hem. Maar Hazeu mocht van de erven Toonder putten uit het het omvangrijke familiearchief en de lezer kan nu over zijn schouder meekijken.

Over het begin van Toonders leven heeft de biograaf niet zo veel nieuws te vertellen, al is die jeugd ongewoon genoeg, met een vader die kapitein op de grote vaart is en een moeder die nergens kan aarden en daarom voortdurend verhuist. Dat de jonge Marten 's avonds in bed verhalen vertelt aan zijn jongere broer, de latere schrijver Jan Gerhard, en zo de basis legt voor zijn carrière, is al heel vaak beschreven. Hun vader, Marten senior, schreef later: 'Toen mijn oudste zoon de leeftijd had waarop ik destijds, tussen de ratten en bezopen stokers, op een drijvende doodskist de ruige zee ontmoette, vond ik hem thuis aan tafel zitten met een pijp in de mond en pantoffels aan zijn voeten. Hij tekende poppetjes en verzon er verhaaltjes bij.' Overigens had vader Toonder jaren daarvoor al een stripverhaal voor zijn kinderen getekend, en uit deze zin blijkt wel dat ook de gave van het woord bij zijn zoon niet uit de lucht kwam vallen.

Een centraal begrip in Hazeu's biografie is de 'Toonder-clan'. Voor Marten Toonder 'zijn er maar drie mensen die echt tellen: zijn vrouw, zijn broer en zijn vader', schrijft hij in het eerste hoofdstuk. 'Soms wordt er iemand anders tot de clan toegelaten, maar dit privilege is meestal van korte duur.' Toonder ontmoette zijn vrouw, de schrijfster en tekenares Phiny Dick, al tijdens zijn middelbareschooltijd. Ze was zijn buurmeisje. Ze trouwden in 1935 en waren samen tot aan haar dood in 1990. Ze kregen twee zoons, Eiso en Onno. Later kwamen daar twee geadopteerde dochters bij. De tragiek van Toonders zoons is dat ze nooit werkelijk werden toegelaten tot de 'clan'. Hun vader bleef op afstand en was soms extreem in zijn kritiek.

Ook op het ontstaan van de Toonder Studio's, omstreeks 1941, gaat Hazeu niet heel diep in, wellicht bij gebrek aan documentatie. Feit is dat de Tom Poesstrip, die vanaf 1941 in De Telegraaf liep, Toonder geen windeieren legde, vooral dankzij de boekuitgaven en een grote hoeveelheid nevenproducten zoals ansichtkaarten en puzzels.

Aan de oorlogsjaren heeft Toonder in zijn autobiografie meer dan vierhonderd bladzijden gewijd. Daartussen strooit Hazeu hier zeer nodige korreltjes zout. Zo was Toonder ingeschreven bij de Kultuurkamer, al beweerde hij dat hij dat niet zelf had gedaan. Ook zijn Toonders verzetsactiviteiten van een latere datum dan hij aangeeft in zijn boek – namelijk pas na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, toen vele goede én foute Nederlanders ervan overtuigd waren dat de bevrijding een kwestie van dagen zou zijn. Hazeu laat zien dat het in de oorlogsjaren onmogelijk was een heel bedrijf draaiend te houden zonder af en toe in een grijs gebied te belanden, en dat het nadien erg onverstandig was van de gebroeders Toonder om het lidmaatschap van de Kultuurkamer te verdoezelen, ook al hadden ze de bezetter op geen enkele manier gesteund.

Die misstappen waren verklaarbaar vanuit de grote ambities die Toonder koesterde en die hij na de oorlog voor een flink deel wist te verwezenlijken. Zijn Studio's moesten een soort 'Olliewood' worden, een Europese pendant van Walt Disney Productions. En kwaliteit stond voorop: 'Stripmaken is geen grapje, het is serieuze kunst, hoewel dat onder ons moet blijven omdat we anders als dikdoeners worden versleten.'

Op de Bommelverhalen gaat Hazeu zelden uitvoerig in, wat geen probleem is omdat er al zo veel over geschreven is. Wel is hij hier bij uitzondering op enige slordigheden te betrappen: zo plaatst hij meer dan eens verhalen te vroeg in de tijd. En het verband dat hij legt tussen de naoorlogse terugkeer van Marten Toonder senior en het verhaal De verdwenen heer is volkomen onbegrijpelijk.

Daarentegen doet hij uitvoerig uit de doeken wat het aandeel van alle andere tekenaars en tekstschrijvers in het grote succes van de Toonder Studio's is geweest. Net als bij Disney was Toonder het gezicht van zijn bedrijf en bleven zijn vele medewerkers – ook in latere jaren – vrijwel anoniem. Hazeu corrigeert dat voorbeeldig. Zelfs bij Tom Poes, die 45 jaar lang het centrum van Toonders bestaan was, kreeg hij assistentie. Ben van Voorn tekende lange tijd de achtergronden, Lo Hartog van Banda was de geniale plotter en tekenaars als Fred Julsing en Piet Wijn lieten – meer nog dan cameramannen in de film – hun onmiskenbare vingerafdrukken na in Toonders hoogsteigen strip.

Nu had Toonder ook niet al te veel tijd voor Tom Poes. De solitaire kunstenaar die hij in wezen was, moest tegelijkertijd leiding geven aan een internationaal opererend bedrijf. Hij slaagde daarin door een rigide tijdsindeling. Dat hij met dat al als gezinsvader tekortschoot, is niet verwonderlijk. En dan was er nog dat streven om ooit een avondvullende tekenfilm te maken. 'De strip was zijn vrouw, de animatiefilm zijn maîtresse', zei zijn medewerker Börge Ring ooit. Pas in 1983 werd dat verlangen ingelost met Als je begrijpt wat ik bedoel – waartegen Toonder zelf uiteindelijk ernstige bedenkingen had.

Toonders artistieke inbreng en neus voor talent waren essentieel voor de studio, maar hij was, met al zijn beminnelijke kanten, een lastige werkgever. Hij was veeleisend en stijfkoppig en wist zijn kritiek slecht te uiten. 'Ik heb veel nagedacht over wat Marten Toonder nou eigenlijk was', aldus tekenaar Gerrit Stapel, 'en ik ben tot de conclusie gekomen dat hij schrijvers en tekenaars hield, zoals een bioloog proefdieren houdt. En ongeveer met dezelfde motieven.' Het is niet verwonderlijk dat de meest getalenteerde medewerkers op den duur kozen voor een zelfstandig bestaan.

In 1965 maakte Toonder zich los van de Toonder Studio's – niet zonder zijn zakelijke belangen stevig te hebben ingedekt – en verhuisde naar Ierland. Deze stap, waar hij al jaren op zinde, was het begin van een volgende fase in zijn leven, waarin hij uitgroeide tot een icoon en de Bommelstrip een nieuw commercieel succes werd, dankzij de populaire paperbackuitgaven van De Bezige Bij. Maar voor de studio was dit het begin van een geleidelijke neergang. 'In Toonders ogen was het denkraam door een telraam vervangen', schrijft Hazeu.

Toonder ontpopte zich steeds meer tot een filosoof. De invloed van zijn broer, die een overtuigd beoefenaar van de astrologie was en hem in de Ierse jaren lange tijd terzijde stond bij het plotten van zijn verhalen, zal daar niet vreemd aan zijn geweest. In de latere Bommelstrips zijn naast de gebruikelijke maatschappijkritiek ook elementen uit boeddhisme, christendom en de denkbeelden van Jung te bespeuren.

In 1986 besloot Toonder na 45 jaar een punt achter de Bommelsaga te zetten. Hij was toen 73 jaar oud. Niet lang daarna kreeg hij zoveel last van zijn hand dat het tekenen onmogelijk werd. Het nietsdoen beviel hem slecht en hij vatte het plan op om een autobiografie te schrijven.

Het lot trof hem hard: in 1990 overleed zijn vrouw Phiny, twee jaar later gevolgd door zijn broer Jan Gerhard. Hij hertrouwde in mei 1996 met de twintig jaar jongere componiste Tera de Marez Oyens; ze stierf drie maanden later. Hij overleefde zijn twee dochters en zijn zoon Onno; met zijn zoon Eiso kwam het tot een onverzoenbare breuk.

Hazeu komt met enige onthullingen over deze periode: zo had Toonder voor zijn tweede huwelijk nog een serieuze relatie met een veertig jaar jongere bewonderaarster. En zijn min of meer gedwongen terugkeer naar Nederland in 2001, die destijds werd toegeschreven aan een longontsteking, was in feite het gevolg van een mislukte zelfmoordpoging met pillen.

De laatste vier jaar van zijn leven bracht Toonder door in het Rosa Spier Huis, waar hij warempel nog een relatie kreeg met de schilderes Erika Visser, maar desondanks versomberde. 'De dood is welkom', zei hij in 2002. 'Ik zal niet veel doen om 'm weg te jagen.' Zo geschiedde. Op 27 juli 2005 vertrok hij 'naar het eindeloze', in de woorden van zijn biograaf. Die heeft kennelijk in de loop van het schrijven meer empathie met zijn onderwerp gekregen, want de nogal nuchtere toon van het begin wijkt gaandeweg voor een bloemrijker toonzetting. Dat maakt dit even kloeke als voortreffelijk gedocumenteerde boek tot een heel lezenswaardige biografie.

Wim Hazeu: Marten Toonder. De Bezige Bij; 736 pagina's. € 29,90. ISBN 978 90 234 7318 3.


Exposities en uitgaven in het Toonderjaar

Schrijversprentenboek. De Bezige Bij; € 24,90.
Tegelijkertijd met de biografie van Hazeu verscheen een 'biografie in beeld', zoals samensteller Klaas Driebergen het noemt: Een dubbel denkraam. Dit schrijversprentenboek bevat niet alleen tekeningen en illustraties van Toonder, maar ook een schat aan familiefoto's. Veel van het materiaal komt uit de Toondercollectie van het Letterkundig Museum.

- Tentoonstelling Een dubbel denkraam in Letterkundig Museum Den Haag Tot 31 januari

- Bommelglossy (deze week verschenen)

- Bommel en Bijbel, door Klaas Driebergen (uitgeverij Aspekt)

- De tekentafel wiebelde een beetje Boekuitgave over het vroege werk van Toonder, door Dick de Boer en Loek Donders

- Dat moet ik Marten Toonder vertellen, door Klaske Kassenberg (uitgeverij Aspekt)

- Koken op Bommelstein, kookboek door Johannes van Dam (De Bezige Bij)

Een overzicht is te vinden op toonderjaar.nl


© Frits van der Waa 2012