Home
Vertalingen
Stukken
Strips
Genealogie
CV
Links
Zoek

de Volkskrant, Kunst & Cultuur, 13 december 2013

Verrassend moderne Prokofjev

De Speler van Sergej Prokofjev, door De Nederlandse Opera o.l.v. Andrea Breth en Marc Albrecht. 10/12, Muziektheater, Amsterdam. Herh. tot 29/12. dno.nl

Als je bedenkt dat Prokofjev zijn opera De Speler al in 1917 componeerde, bijna een eeuw geleden, klinkt de muziek opeens verrassend modern. Behalve door pompende bassen, hamerende ritmes en gestapelde samenklanken, waarin zo veel mogelijk tonen in de beschikbare ruimte zijn gestopt, valt deze klankwereld op door een hoekig, syllabisch soort zang, die wortelt in de gesproken taal.

Dat alles komt bij De Nederlandse Opera voortreffelijk tot zijn recht. Een sterke zangersequipe, gedragen door het Residentie Orkest, dat onder Marc Albrecht nagenoeg rafelloos musiceert, geeft Prokofjevs muziek het volle pond. De uiterlijke vormgeving van de voorstelling is schitterend. Het verhaal speelt zich merendeels af in de gangen van een casino in de fictieve stad Roulettenburg, maar de donkerbruine panelen zijn draaibaar en bieden doorkijkjes op een illuster spiegelpaleis. Het contrast met het kale kamertje van de hoofdpersoon Aleksej, te zien in het laatste bedrijf, is dan ook bijna onthutsend, vooral omdat de handeling zich daarna meteen verplaatst naar het hart van het gokpaleis.

Dat laatste bedrijf is muzikaal en scenisch de bekroning van een ingewikkelde voorgeschiedenis, gebaseerd op Dostojevski's gelijknamige roman, die er in feite op neerkomt dat alle betrokkenen hopen aan de roulettetafel zoveel te winnen dat ze hun torenhoge schulden kunnen aflossen. Aleksej heeft geen geldproblemen, maar wordt door Polina, zijn aanbedene, verleid tot roekeloze daden, en eindigt als gokverslaafde.

De enscenering van de Duitse regisseuse Andrea Breth oogt vooral realistisch, ondanks de zorgvuldig uitgewerkte choreografie. De typetjes die Prokofjev neerzet, zoals de pompeuze generaal, de sinistere markies en de vieve oudtante op wier dood iedereen tevergeefs hoopt, worden niet potsierlijker gemaakt dan ze al zijn. De Britse tenor John Daszak loopt daar als Aleksej met zijn onschuldige oogopslag hartveroverend na•ef doorheen. Net als zijn tegenspelers Pavlo Hunka (generaal), Sara Jakubiak (Polina) en al die anderen zingt hij mooi, en zeker niet ongenuanceerd, maar zo luid dat het bijna hinderlijk is. De oudtante (de Duitse mezzo Renate Behle) is de enige die geen stentorstem opzet.

De oorzaak van dat alles is gelegen in het machtsvertoon van Prokofjevs muziek, die, revolutionair en wel, eigenlijk razend eenzijdig is. Ook al trekt hij voor elk personage weer andere krijtjes uit zijn kleurdoos, het permanente 'parlando', zonder een melodieus lichtstraaltje, is al snel geestdodend, ook omdat het besprokene vaak allesbehalve theatraal is. Dat maakt dat de eerste drie bedrijven van De Speler aandoen als een toneelstuk op noten, waar je je als luisteraar doorheen moet bijten. Dat was acht jaar geleden bij Opera Zuid het geval, en ondanks het technisch en muzikaal aanmerkelijk hogere niveau is dat bij De Nederlandse Opera niet anders. De Speler is op dat laatste bedrijf na gewoon geen gelukte opera.


© Frits van der Waa 2013