Let op: de website is verhuisd naar fritsvanderwaa.nl

de Volkskrant, Kunst & Cultuur, 27 december 2014

Jansons verweeft het vulgaire met het verhevene

KCO Kerstmatinee: Mahler, door het Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons. 25 december, Concertgebouw, Amsterdam.

Voor Mariss Jansons laatste Kerstmatinee als chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest is Mahlers Vierde Symfonie ogenschijnlijk een voor de hand liggende keuze. Maar in de top-uitvoering die Jansons en zijn orkest donderdagmiddag ten gehore brachten lag niets voor de hand en leek alles even oorspronkelijk.

Het KCO zal deze symfonie sinds de eerste Nederlandse uitvoering in 1904 misschien wel honderdmaal hebben gespeeld. Die vertrouwdheid uitte zich allerminst in routineus spel, maar juist in de trefzekere bereidheid om toch weer nieuwe aspecten te ontdekken aan de bekende noten.

Het was een feest om de verschillende thema's in het eerste deel hun opwachting te horen maken, als personages tijdens een soiree, elk haarscherp uitgetekend, nu eens elegant, dan weer uitbundig, maar allen bewegend op dezelfde puls. De Vierde is Mahlers zonnigste symfonie, en vooral in dit deel is de optimistische toonzetting ongebroken. Als alle personages zich hebben gepresenteerd komen ze nogmaals langs – nu in andere constellaties, en de toon van hun conversatie is plageriger geworden. En dan bundelen ze hun krachten in een grote, eendrachtige samenzang.

In deel twee wordt de soiree een dorpsfeest. Jansons laat de wemeling van stemmen even transparant klinken en verweeft het vulgaire magistraal met het verhevene. De viool knerpt, de klarinetten schetteren en de musici grossieren in verrukkelijke details als piccolotrillertjes, een snerpend trompetnootje, of een een-tweetje tussen pauken en contrabassen.

Het volgende deel opent met panoramische, verstilde vergezichten waarin toch weer vele schakeringen te ontwaren zijn. Mahler laat een zweem van onheil binnenkruipen, die dan weer wijkt voor vreugdevollere klanken. Verrassend is het slot, met een triomfale uitbarsting in majeur, die tenslotte weer totaal vervluchtigt.

In het slotdeel, een snaakse lofzang op de hemelse vreugden, maakte de Oostenrijkse sopraan Anna Prohaska haar debuut bij het KCO. Zij paart een onschuldige uitstraling aan een welsprekende, subtiele tekstvoordracht. Haar stem is niet volumineus en licht gevoileerd van timbre, maar haar projectie is duidelijk en haar intonatie haarscherp. Jansons en het orkest omhulden haar beurtelings met delicate en bijtende orkestklanken in soepel samenspel met talloze tempowisselingen, dat uiteindelijk tot rust kwam in verre, bimbambeierende harptonen.


© Frits van der Waa 2014