Home
Vertalingen
Stukken
Strips
Genealogie
CV
Links
Zoek


Verschenen in de Volkskrant van 19 oktober 1990

De emotiespetter ziet er wat dichtgelopen uit

Tien jaar lang een gulden per dag, dan heb je Het Oeuvre bijeen. Een uitgave van stand die niet zou misstaan in Heer Bommels boekenkast. Het epos van 11.768 afleveringen, die Marten Toonder tussen 1941 en 1986 schreef en tekende, verzameld in veertig kunstlederen delen. Elk plaatje kost een megabyte geheugenruimte. Uitgevers Matla en Bruggeman houden elk rasterpuntje en elke puntkomma tegen het licht. “Moet mijn eigener assistent mij met besjnemtsing en proeksel frlwortzln?” “Let wel, je hebt het dus over volwassen kerels, en over één regeltje in Bommel, maar we zijn er wel twee maanden mee zoet geweest.”
Bommel met boek

Hans Matla spreekt met klinkende hoofdletters: “Het bijzondere aan Het Oeuvre is dat het bestaat uit beelden en uit teksten. Marten Toonder heeft literatuur gemaakt met plaatjes, en daarmee is hij een unicum in Nederland, misschien wel in de wereld.”
Matla heeft het voor een Bommelliefhebber hoogst denkbare doel bereikt: hij mag Het Oeuvre uitgeven. Deze maand verschijnt bij Uitgeverij Panda het eerste deel van Heer Bommel - Volledige Werken - De dagbladpublicaties. Het is deel 11 van wat over tien jaar een imposante rij van veertig kloeke banden zal vormen.
De Integrale Bommel Uitgave vormt een afrekening met vijftig jaar inferieure uitgaven, een grondslag voor wetenschappelijk onderzoek, maar bovenal een hommage aan de man die de Hollandse Vorm van het beeldverhaal - tekeningen met tekst eronder - tot een uitzonderlijk nivau heeft gebracht: de inmiddels 78-jarige Marten Toonder.
Het deel dat nu wordt uitgebracht bevat zes verhalen uit het begin van de jaren vijftig, waaronder enkele die nooit eerder in boekvorm zijn verschenen en die alleen bekend zijn bij zeer doorgewinterde Bommelverzamelaars. Ofschoon de uitgave ongetwijfeld door een schare trouwe lezers met gejubel zal worden begroet, acht Matla een feestelijke presentatie niet op zijn plaats: “Phiny Dick, Toonders vrouw, is onlangs overleden. Het is heel pijnlijk dat ze dit niet meer mag meemaken.”
De bezorgers, Matla zelf en zijn medewerker Jan Bruggeman, neerlandicus en eveneens Bommelfanaat, zien in Het Oeuvre een evenknie van de werken van Couperus of Vestdijk. Ze vatten hun arbeid dan ook uiterst serieus op. “Alleen hebben wij het voorrecht dat de auteur met ons mee kan denken”, zegt Matla voldaan.
De weelderig behaarde uitgever, in wiens persoon de eigenschappen van een Bul Super (“Zaken zijn zaken”) en een heer Bommel (“Hier ligt een mooie taak”) een aangename symbiose aangaan, is bovenal een perfectionist. In het klein uit zich dat in het vermogen om twee ogenschijnlijk identieke Bommelboekjes van elkaar te onderscheiden - aan de hand van de nietjes. In het groot neemt het de gedaante aan van een hartstochtelijke zin voor volledigheid. Het stapeltje Donald Ducks, waarmee hij in 1956, zes jaar oud, zijn loopbaan begon, is inmiddels uitgegroeid tot - waarschijnlijk - de omvangrijkste stripcollectie in Nederland.
Tot Matla's belangrijkste wapenfeiten horen een - nu bijna afgeronde - complete uitgave van alle Eric de Noorman-verhalen in twintig delen, een tweejaarlijks verschijnende stripcatalogus en de Bommelkatalogus, een pil van bijna vierhonderd met mierenlettertjes bedrukte pagina's. Het hart van deze “cumulatieve” Toonder-bibliografie beslaat echter niet meer dan vijftien bladzijden. Daar is Het Oeuvre beschreven: de 11.768 Tom Poes-afleveringen, samen 177 verhalen, verschenen in diverse dagbladen tussen 1941 en 1986.
“De dagbladpublicaties”, licht Matla toe, “bevatten Het Oeuvre van Toonder. Het zijn ondertekststrips. De weekbladpublicaties zijn meestal ballonstrips. Daar hield hij wel een oogje op en hij heeft er ook verhalen voor geschreven, maar in feite werden die door zijn studiomedewerkers vervaardigd.”

De burelen van Uitgeverij Panda, gevestigd in de Haagse Frederikstraat, beslaan twee minuscule vertrekjes boven het gelijknamige stripantiquariaat waarmee Matla twintig jaar geleden van zijn hobby zijn broodwinning maakte. Op een der bureau's staat een beeldscherm, met daarop, in een allermerkwaardigst lijnenspel, een geitenschedel met een bloemetje tussen de kaken. Een druk op de knop en het venster verwijdt zich. Daar heb je heer Bommel en professor Sickbock. De schedel blijkt deel uit te maken van een stilleven op de achtergrond.
Bommel en Sickbock Naast het scherm ligt dezelfde tekening bovenop een stapeltje. Hier past eerbied, want het is de originele tekening van Marten Toonder. Het stapeltje ligt veilig op de scanner, zodat er geen koffiekopjes over kunnen omvallen.
Matla demonstreert: “ Kijk, die emotiespetter, die ziet er een beetje dichtgelopen uit.” Met enkele muis-manipulaties zet hij wat extra wit in het zweetdruppeltje boven Bommels hoofd.
Het productieproces van de Integrale Bommel Uitgave verhoudt zich tot de gangbare boekfabricage als een cd tot een grammofoonplaat. Om menselijke en mechanische tekortkomingen te ondervangen heeft Matla zo veel mogelijk de digitale techniek te hulp geroepen.
De computer scant de tekeningen en vertaalt ze in een fijnmazig netwerk van microscopische puntjes. De computer leest de teksten in. Retouche, correctiewerk en opmaak blijven mensenwerk, maar inkt of lijm komt er niet meer aan te pas. Alles gaat per computer, tot en met de laatste stap, het omzetten van de pagina's naar negatieffilm.
Wel neemt het beeldmateriaal enorm veel geheugenruimte in beslag - één megabyte per plaatje - en daarom heeft Uitgeverij Panda zich een harde schijf van 650 megabyte aangeschaft. “We waren de eersten in Nederland die zo'n grote kast kochten”, vertelt Matla. “Er is nog geen zetter die het kan uitdraaien, dus we moeten het eerst overzetten op kleinere schijven. De drukker kan er nu niets aan verknallen, want hij krijgt kant-en-klare films.”
Maar het proces begint uiteraard met de tekening, of liever de strook, zoals stripdeskundigen dat noemen. Voor het feitelijke werk begon hebben Matla en Bruggeman uitvoerig geïnventariseerd wat er bewaard is gebleven, en in welke vorm. Hoewel Toonder van het begin af aan zijn originele Tom Poes-tekeningen heeft bewaard, zijn er toch honderden afleveringen zoekgeraakt. “Tegenwoordig beschouwen we zo'n tekening als een kostbaar origineel”, zegt Matla, “maar vroeger hechtte men er geen waarde aan. Als er eenmaal een cliché van gemaakt was, kon je de tekening eigenlijk weggooien. Ja, dat deed men dan niet, want stel je voor dat het cliché zoekraakte. Maar het was materiaal, meer niet.”
Is de strook verloren gegaan, of niet voorzien van raster (de bekende grijstoon-in-puntjes), dan gebruiken de bezorgers een cliché-afdruk, want ook die zijn meestal bewaard. Is die er ook niet, dan vallen ze terug op Matla's kast met krantenknipsels. In elke strook gaat gemiddeld twee uur retoucheerwerk zitten. Het DeskPaint-tekenprogramma bewijst hier goede diensten. Beschadigingen worden gerestaureerd, lijnen die op het cliché niet goed zijn doorgekomen worden opgehaald, rafelige kadertjes worden rechtgetrokken. “Soms zijn er ook dingen vergeten”, zegt Matla, een tekening uit de stapel trekkend. “Hier is bijvoorbeeld Bommels hand ongerasterd gebleven.”
ongerasterde hand “Het was nu eenmaal een dagelijkse productie: de tekenaar gaf met blauw potlood aan waar de rasters moesten komen. Degene die dat moest clicheren dacht over zo'n detail niet na. Soms vergat Toonder het zelf ook. Het gekke is dat aan zulke dingen, ook in latere boekuitgaven, nooit enige aandacht besteed is. Maar wij willen nu de ultieme uitgave brengen, met de verhalen in chronologische volgorde, met de geautoriseerde tekst, en met de tekeningen zoals de auteur ze zelf bedoeld heeft.”
Een apart geval vormen stroken die bewerkt of opnieuw getekend zijn. Zulke alternatieve versies krijgen een plaatsje in het redactioneel aanhangsel. Daarin worden ook enkele passages opgenomen die Toonder uit zijn definitieve versie verwijderd heeft, alsmede de zogenoemde “vakantie-afleveringen” waarmee de krantenlezers werden voorbereid op een Bommelloze periode. Een beschrijving van eerdere Nederlandse publicaties maakt de editie tot een betrouwbaar uitgangspunt voor toekomstige Toonder-studie.
Hoewel de verzorging van het tekstgedeelte naar verhouding eenvoudiger is, wegen de redacteuren ook hier elke puntkomma op een goudschaaltje. Matla: “We hebben in Ierland, bij Toonder thuis, urenlange besprekingen gevoerd, en hem allerlei voorbeelden voorgelegd. Jan, de neerlandicus, zegt dan: ‘Die puntkomma, dat moet een komma zijn volgens de regelen van de Nederlandse schrijfkunst.’ En dan zie je Toonder zo bedachtzaam achteroverleunen: ‘Meneer Bruggeman, als ik die zin lees, dan voel ik daar een zware rust.’ Dat is dan klaar, dat is geen fout.”
“En in twijfelgevallen sturen we even een fax naar Ierland,” vult Bruggeman aan. “Maar de meeste informatie hebben we nu, bijvoorbeeld over de naamstelling van de personages. De Canteclaer van Barneveldt wordt nu eindelijk een keer uniform geschreven. Wel is het zo dat bij Zielknijper de titelaanduiding blijft wisselen. Hij kan dus in het ene verhaal Dr. zijn en in het andere Drs. Het blijkt namelijk dat de heer Zielknijper toch niet helemaal zuiver op de graat is, volgens Toonder.”
Respect voor de wensen van de auteur en de eigen verantwoordelijkheid als bezorger bleken niet volledig verenigbaar. Toen Toonder tijdens de voorbereiding te kennen gaf dat hij sommige fragmenten er toch liever helemaal uit wilde laten, heeft Matla zelfs gedreigd het hele project af te blazen: “Het is een heilig oeuvre”, vindt de uitgever. “Ik heb er niks aan bij te dragen, ik mag het alleen maar optimaal brengen. Toonder heeft zich er echt veertig jaar aan kapot gewerkt, en hij moet zeggen hoe hij het wil. Maar een integrale uitgave kenmerkt zich doordat hij integraal is. En Bommel is een homogeen geheel. Het zijn 177 verhalen, maar ze hebben allemaal met elkaar te maken, en er is een ontwikkeling waar te nemen. Ik ben van mening dat ook de slechtste verhalen hebben bijgedragen tot het product dat wij kennen als zijn top. Eigenlijk is het één verhaal, één geschiedenis van een Heer van Stand.”
Maar de toewijding van de bezorgers is adequaat beloond. Matla: “Toen Marten Toonder de eerste drukproeven zag was hij zo enthousiast, dat hij aanbood een voorwoord te schrijven. Dat is natuurlijk een kroon op de uitgave! Het is waarschijnlijk de laatste keer dat de auteur zich, met betrekking tot zijn Bommel-oeuvre, tot zijn lezers richt.“

De Integrale Bommel Editie komt niet in de boekhandel te liggen, maar is alleen te bestellen bij Uitgeverij Panda. In overleg met Toonder zelf, die aan een aantal verhalen (zoals de allereerste, die in feite nog kinderstrips waren) liever geen brede bekendheid wilde geven, is de oplage bepaald op 2.500 exemplaren. In dat licht is de prijs - 110 gulden per deel - nog betrekkelijk laag. De belangstelling is groot. Nog voor er één deel verschenen is nadert het aantal intekenaars de tweeduizend. Matla erkent dat de kopers van deze “heren-editie” overwegend een boven-modaal inkomen zullen genieten: “Het moeten toch mensen zijn die zich een gulden per dag kunnen permitteren. Want dat kost het.” Bruggeman: “Voor de minima is er altijd nog die andere reeks.” “De losbladige editie”, grapt Matla. Overigens: die bekende volks-uitgave, een serie van 43 paperbacks met de belangrijkste - maar bij lange na niet alle - verhalen, kost bij elkaar ook nog een slordige duizend gulden.

Over de mogelijkheid dat de auteur het tienjarenplan niet tot het eind zal kunnen begeleiden zegt Matla: “Natuurlijk hebben we het daar over gehad, tegen Toonder kun je echt alles zeggen. ‘Breng de oudste verhalen maar het laatst’, zei hij. ‘Dan hoef ik dat niet meer mee te maken.’ We gaan vanzelfsprekend vooruit werken. In een paar jaar tijd hebben we alle tekst klaar, en dan hoop ik dat hij toch het uitkomen van ten minste dertig delen mag beleven.”
In weerwil van de welhaast wetenschappelijk wijze van redigeren zal de Bommel-uitgave een “lees-editie” worden. Een notenapparaat met tekstvarianten zou de boeken veel te dik en te duur maken. De tekst wordt afgedrukt in de gelouterde, door Toonder gereviseerde versie.
Kenners zullen daardoor hier en daar een saillant fragment missen. In het verhaal De Wenswerkster bijvoorbeeld treft Bul Super heer Ollie aan achter een grote stapel gouden florijnen. Zijn commentaar (“Bommel! Wat is er gebeurd? Heb je een uitkering van Drees gehad?”) was in 1953 actueel, maar nu niet meer. Het is dus geschrapt.

Bommel en Bul Super

Matla en Bruggeman smullen van dit soort kleinigheden. Maar er zijn ook diepere lagen.
“Als je de verhalen steeds herleest, ontdek je er steeds meer in”, vindt Bruggeman. “Toonder haalt grappen uit waarbij hij zaken omkeert: dingen die alleen herkenbaar zijn voor wie dat toevallig weet. Neem Oene Horletoet, de Tijwisselaar. Niemand weet wat horletoet betekent, maar het staat gewoon in Van Dale: koffiepot. Hij heeft een leerling en die heet Kobbe Kobbema. Kobbe betekent trouwens zilvermeeuw, en dat kun je ook zien op de tekening. Dat is de eerste aflevering van het verhaal. Maar nu de tweede. Daar zegt Kobbema: ‘Gaan we een beetje rusten? Ik heb trek in koffie.’ ‘Koffie!’, zei de ander afkeurend. ‘Rust! Je moet leren dat er voor een tijwisselaar nooit rust is.’
Tijwisselaar “Dus: iemand die zelf koffiepot heet heeft geen tijd voor koffie. Dat is een heel subtiel taalgrapje, alleen voor de oplettende lezer. Als je dat gaat inzien denk je: er zit nog veel meer in, ik kan weer opnieuw gaan lezen.”
Met dit doel hebben Matla en Bruggeman zes jaar geleden samen met een derde Bommel-exegeet het Haagsch Bommel Genootschap gevormd. Het is een strikt besloten werkgroep die onderzoek doet naar het werk van Toonder. Elke twee weken onderwerpt het driemanschap zes Bommel-afleveringen aan een diepgaande analyse.
Prlwytzkofsky “We huldigen het standpunt dat Toonder niets opschrijft dat onzinnig is”, stelt Matla. “Bewust of onbewust, het gebeurt met een reden. Dat moet je dus serieus nemen, ook al lijkt het klinkklare onzin.” Moeiteloos laat hij een woede-uitbarsting van professor Prlwytzkofsky van de tong glijden: “Moet mijn eigener assistent mij met besjnemtsing en proeksel frlwortzln? Op zich is dat heel duidelijk. Maar wíj hebben het niet begrepen. Er zijn mogelijke verklaringen. We hebben in woordenboeken gekeken, gebeld met het Russische, Poolse en Tsjechische consulaat. Dat leverde niks op. Maar bij het consulaat van Joegoslavië was het raak. Ik las het voor, en die man rolde van zijn stoel toen hij het hoorde. We hebben toen een afspraak gemaakt - let wel, je hebt het dus over volwassen kerels, en over één regeltje in Bommel, maar we zijn er wel twee maanden mee zoet geweest. Helemaal eruit zijn we nog niet, maar het bleek gedeeltelijk afkomstig uit een dialect dat in een bepaalde streek in Joegoslavië wordt gesproken, en het zijn lelijke dingen, scheldwoorden.
Hoe komt Toonder daar nu aan? Heeft hij het doorgekregen vanuit de andere wereld, of ergens gehoord en in zijn onderbewustzijn opgeslagen? Daar geeft hij geen antwoord op.”
De bevindingen van het Haagsch Bommel Genootschap zullen mettertijd worden neergelegd in een afzonderlijke annotatie-reeks, met als titel Als je begrijpt wat Toonder bedoelt.
Gelukkig staan de heren niet overal alleen voor. Een omvangrijk Bommellegioen biedt waar nodig assistentie. Artsen onder de intekenaars bogen zich over de kwaal aperagia polinaris. Hun diagnose: de ziekte, aanleiding tot een Bommelkuur, bestaat niet. En Theo Koppelaar, een verzamelaar die al eerder van vasthoudendheid getuigde door de publicatie-data van alle afleveringen te controleren, jaagt nog steeds op enkele prehistorische Poezen, die ooit in 1939, voor de serie in Nederland begon, in een Tsjechisch of Argentijns jeugdblad moeten zijn verschenen.
“We hebben ook de allereerste strook gezien”, onthult Matla, “de geboortestrook van Tom Poes. Toonder kwam daar na enige tijd schoorvoetend mee voor de dag. Natuurlijk gaan we die ook afdrukken, maar dat is in Band 1, en die komt in het jaar 2000.” Glimmend: “Wij hebben gewoon tien jaar dikke pret.”
Matla neemt een dummy ter hand, bladert liefdevol, wijst op de geel-met-rode kapitaalbandjes, in de kleuren van Bommels ruitjesjas: “Een klassieke band, want het is een tijdloos Oeuvre. Geen opsmuk, geen modernismen. Het is weliswaar kunstleer, maar deze reeks zou niet misstaan in heer Bommels boekenkast.”

Link naar Uitgeverij Panda: www.uitgeverij-panda.nl


Andere artikelen over Toonder op deze website:
Hanezang
De wondere schaduwwereld
Heer Bommel komt op
Interview
Musical De Trullenhoedster
Heer Ollie als melkkoe


© Frits van der Waa 2006