de Volkskrant van 14 januari 1985, Kunst, recensie
Contrastrijk Octet van Skalkottas maakt nieuwsgierig naar meer
Schönberg Ensemble. Programma: Prokofjef, Skalkottas, Janatsjek, Schönberg. Dirigent:
Reinbert de Leeuw. Plaats: Concengebouw, Amsterdam. Herhalingen: Den Haag (16 jan.), Groningen
(19 jan.), Terneuzen (20 jan.)
Het repertoire van het Schönberg Ensemble beslaat ruim een eeuw muziekgeschiedenis, maar de harde
kern ervan wordt gevormd door de muziek van Schönberg, Berg en Webern, de componisten uit de
zogenoemde Tweede Weense School. In zijn nieuwste programma voert het gezelschap Schönbergs
Suite op. 29 uit 1924-26 voor drie strijkers, drie blazers en piano opnieuw ten tonele, ditmaal
geflankeerd door muziek uit diezelfde periode met om en nabij dezelfde bezetting.
Drie tamelijk korte stukken, die naast Schönbergs imponerende meesterwerk enigszins verbleken.
Toch biedt het Octet van de Griekse componist Nikos Skalkottas (1904-1949) wel degelijk
substantiële kost.
Skalkottas leefde van 1921 tot 1933 in Duitsland en was vier jaar lang leerling van Schönberg.
Om financiële redenen moest hij terugkeren naar zijn vaderland, waar hij als orkestmusicus de rest
van zijn leven doorbracht in een cultureel isolement. Bij zijn dood bleek hij een oeuvre van ongeveer
150 composities na te laten vrijwel zonder uitzondering twaalftoonsmuziek - waarvan
inmiddels nog maar een deel is gepubliceerd. Pianomuziek van Skalkottas werd in Nederland enkele jaren
geleden al onder de aandacht gebracht door Geoffrey Madge.
Het Octet stamt uit 1931, Skalkottas' laatste leerjaar bij Schönberg. De muziek is zo
wonderlijk boeiend dat de extreme beknoptheid van het stuk haast teleur stelt. In zijn melodische
expressie en zijn traditionele driedelige opbouw sluit het Octet aan bij de muziek van de
negentiende eeuw. Maar de contrastrijke dialogen tussen het blazers- en het strijkerskwartet, en vooral
de hecht vervlochten meerstemmigheid, waarin de schoonheid van de dissonant zeer twintigste-eeuws wordt
verkend, maken heel nieuwsgierig naar het overige werk van Skalkottas.
Juiste luisterstand
De Ouverture over Hebreeuwse thema's van Prokofjef en Janatsjeks Concertino bieden
vooral speelse, verstrooiende muziek met veel kleur en fleur. Marja Bon, soliste in het Concertino,
bekoort als altijd met briljant pianospel, dat zo in strijd lijkt met haar bescheiden uitstraling. Een
knappe uitvoering met vlekkeloos weerwerk van het ensemble. De oneffenheden in de uitvoering van
Prokofjefs Ouverture staken daar nogal ongunstig bij af.
Na zo'n licht verteerbaar voorprogramma kost het wat moeite de oren in de juiste luisterstand te
krijgen voor Schönbergs Suite. Dat is het enige nadeel van deze programmavolgorde, die door
de gekozen stukken overigens dwingend wordt opgelegd.
Schönbergs Opus 29 ontstond in een periode waarin hij zijn atonale muziek niet alleen
gefixeerd had in de dodekafonie (twaalftoonstechniek), maar haar bovendien vorm gaf naar traditionele
modellen, in dit geval een vierdelige suite. Merkwaardig genoeg waart ook door deze muziek de geest
van het divertimento, maar dan in een verregaand gesublimeerde vorm. Alle delen kenmerken zich
door razendsnel passerende noten en rijk gekleurde dissonanten, een enkele maal doorbroken met rustiger
passages. Schönberg bedient zich van talloze bijzondere instrumentale effecten, waarbij vooral
spookachtige flageolet-tonen en glissandi in het oor springen. Zonderling is ook het derde deel met
zijn tonale thema, dat is ingebed in een volkomen atonale context.
De Suite eindigt met een magistrale Gigue, waarin schoksgewijs verspringende motieven
en ware guirlandes van noten bij de luisteraar een opperste ritmische verwarring zaaien. Feilloos komt
onder de hoekig swingende leiding van Reinbert de Leeuw de klankwellust, abstractie en motoriek van
deze muziek naar voren.
© Frits van der Waa 2006