de Volkskrant van 24 maart 1987, Kunst, recensie
Arditti geknipt voor kwarttoonsmuziek Visjnegradski
Strijkkwartetten van Ivan Visjnegradski, door het Arditti Kwartet. In de IJsbreker, Amsterdam.
Het programma vermeldt vier composities in het kwarttoons- en één in het halftoonssysteem.
Het verstand moet even de bocht door: halve tonen, o ja, dat is dus normale muziek.
Het Arditti Kwartet speelt kwarttoonsmuziek voor drie en vier strijkers van Ivan Visjnegradski, de
excentrieke Rus die zich zijn leven lang (1893-1979) bezighield met het componeren van muziek in
kwarttonen en andere microtonale toonladders.
Doorgaans schreef hij voor twee piano's, waarvan er één een kwarttoon verstemd was.
Sommige van die stukken zijn in Nederland al eens uitgevoerd, en verbaasden met hun in essentie
romantische expressie, verwrongen door jengelende, onder de gordel priemende samenklanken.
Het Arditti Kwartet speelt Visjnegradski. Maar maag en darmen blijven op hun plaats. Het is mooi!
Verwarrend is het wel. Visjnegradski zet de wereld, of liever: het oor, op zijn kop, met zijn
infrachromatiek. Dat mooie woord, aangetroffen in de programmatoelichring, suggereert verbanden met
"infrarood" of "ultraviolet". De analogie is onjuist, maar wel leuk. Want Visjnegradski en zijn
geestverwanten wilden bewust het palet van harmonische kleuren uitbreiden. Dat was omstreeks 1920, toen
laatromantische componisten als Skrjabin en Strauss met hun hooggespannen werken het gewone toonstelsel
uit zijn voegen leken te doen barsten.
Arnold Schönberg proclameerde de dodekafonie, het componeren met twaalf slechts op elkaar
betrokken tonen, als de historisch noodzakelijke oplossing.
Visjnegradski, daarin voorafgegaan door de Mexicaan Julian Carillo, zocht het in de expansie van het
aantal tonen binnen het octaaf. Erg praktisch was dat niet: de meeste instrumenten zijn niet gebouwd op
kwarttonen. Alleen op strijkinstrumenten liggen ze zo voor het grijpen, in theorie althans. Want het
spelniveau (of eerder de gehoortraining) van de strijkers uit Visjnegradski's jonge jaren bleek niet
toereikend om zijn ideaal gestalte te geven.
Vandaar dat Visjnegradski, schipperend met zijn twee "valse" piano's, een marginale figuur bleef, en
dat er in zijn 53 opusnummers tellende oeuvre slechts drie kwarttoonskwartetten en één
-trio te vinden zijn.
Maar musiceren is een vorm van topsport. Al zijn de records niet meetbaar, ze worden wel gebroken.
Inmiddels is de technische bekwaamheid voorhanden om de rijkdom van deze stukken, die vermoedelijk
zelden of nooit eerder tot klinken zijn gebracht, aan het licht te brengen. Het Londense Arditti
Kwartet, gespecialiseerd in de meest veeleisende varianten van de eigentijdse muziek, is daarvoor het
aangewezen ensemble.
Bij het Arditti is het stelsel van kwarttonen niet langer een zonderling produkt uit de reageerbuis
van de componist, maar eerder een wondere speling van de natuur. Dat komt door de spatzuivere intonatie
van de verschillende tonale "lagen" waaruit de muziek is opgebouwd. Maar het komt ook doordat
Visjnegradski een goede, misschien wel geniale componist was.
Tussen de eerste en de laatste van de vijf composities in dit concert ligt een periode van meer dan
vijftig jaar, en in elk ervan lijkt Visjnegradski de kwarttoonsmaterie op een andere manier te
benaderen. Met zijn extatische stroom van harmonische spanningen lijkt het Strijkkwartet no.1
(uit 1923-24) vooral een verkenning van de vele nieuwe akkoorden die het systeem oplevert. Het
Tweede Strijkkwartet (1930-31), energiek en humoristisch van toon, exploiteert de botsing van
twee chromatische toonladders die een kwarttoon uit elkaar liggen, terwijl in een Composition pour
quatuor à cordes, opus 43 uit 1960 juist de kwarttoonscontext benut wordt om de "orthodoxe"
tonaliteit te suggereren. Ongeveer zoals Schönberg, die later in zijn leven twaalftoonsmuziek
schreef waarin toch steeds traditionele akkoorden doorschemerden.
Wat minder overtuigend is Visjnegradski's laatste werk, het Strijktrio op. 53 uit 1979 (de
partituur werd door hemzelf voorzien van het opschrift Oeuvre posthume et dernière). Het
is een dunne, ijle structuur, met weerbarstige samenklanken, melodische sprongen, en allerlei
vervreemdende effecten. Het stuk doet vermoeden dat de muzikale ontwikkelingen van na de oorlog niet
geheel aan Visjnegradski voorbij waren gegaan.
Ondanks al hun verschillen hebben deze stukken toch ook veel gemeen. Zoals de passages con sordino
(met demper), waarin de kwarttonen een spookachtige, onwerkelijke atmosfeer bewerkstelligen. Maar dat
is niet meer dan een oppervlakkige overeenkomst. Wezenlijker is het Slavische karakter van de muziek.
Er passeren mystieke klankstapelingen à la Skrjabin, ritmische verrassingen in de geest van
Bartók of zelfs Stravinsky, en thematische verwikkelingen die evenals de naargeestige,
halsstarrige solo-passages aan Sjostakowitsj doen denken.
In het Strijkkwartet no.3 uit 1945 maakte Visjnegradski een uitstapje naar het normale
toonstelsel, maar het verschil met zijn kwarttoonswerk is niet eens erg groot. Ook hier bepalen
zinderende kleurakkoorden en wroetende melodische spanningen het klankbeeld. Zo'n lange processie van
overlappende, chromatische dubbelgrepen, die sombere, Moessorgsky-achtige hartstocht, dat moet door een
Rus geschreven zijn.
Een openbaring, dit concert. De KRO zendt het (vermoedelijk) uit op zaterdagavond 19 september.
© Frits van der Waa 2006