Let op: de website is verhuisd naar fritsvanderwaa.nl

de Volkskrant van 11 oktober 1988, Kunst, reportage

Asko maakte in twintig jaar het onspeelbare speelbaar

AMSTERDAM - Een gestencild concertprogramrna: "Het ASKO is: niet meer het Amsterdams Studenten Kamer Orkest; niet meer uitsluitend een ensemble; niet alleen een groepje Xenakis- en Varèse-freaks."

Die tekst, uit 1976, klopt nog steeds. Maar het Asko, een van Nederlands eerste in moderne muziek gespecialiseerde ensembles, is blijven veranderen. Het begon als een amateurgezelschap, dat behalve muziek ook zeiltochtjes maakte. Nu, twintig jaar later, is het uitgegroeid tot een professioneel ensemble, dat zich kan meten met de beste eigentijdse-muziekensembles van Europa. Maar de stichting Asko biedt ook onderdak aan een koor van amateurzangers en aan een ensemble van conservatoriumstudenten.

Vanavond geeft het Asko Ensemble een jubileumconcert in Paradiso. Het programma (donderdag ook te beluisteren in Den Haag en volgende week in Utrecht) vermeldt nieuwe werken van Jan Vriend, Theo Verbey en Klas Torstensson. Het motto is Asko 20 jaar.

In feite bestaat het Asko langer. In september 1968 legde de notaris de oprichting van de Stichting ASKO vast, maar al op 31 maart 1966 gaf het Asko (toen nog A.S.K.O.) zijn eerste concert in de Bachzaal van het Amsterdamse conservatorium. Uitgevoerd werden Haydns Symfonie met de paukenslag, El amor brujo van De Falla, Weberns Concert op.24, en het Concerto da camera van Peter Schat.

De "jonge componist Jan Vriend" die toen het concert leidde is nu 49 jaar. Hij was jarenlang betrokken bij het Asko, eerst als dirigent, later als huis-ideoloog en -componist. "Het bleek onmiddellijk dat het geen probleem was om hedendaagse muziek met amateurs uit te voeren", vertelt hij. "Integendeel, er was een enorme toegewijdheid en interesse, ook in intellectueel opzicht: waarom schrijft die componist dat nou? En dat hoorde je bij de concerten, die inzet en betrokkenheid."

Na het eerste concert besloten de Asko-spelers voortaan uitsluitend muziek van eigen tijd en van de "klassieke" avant-garde te spelen. Waarvan akte in het tweede programma, uitgevoerd in mei 1967. Naast nieuwe muziek van Xenakis en Ton de Leeuw klonken ook Weberns Symphonie op.21 en Octandre van Edgard Varèse.

Octandre is door de jaren heen het "lijfstuk" van het ensemble gebleven. Nadat het Asko zelf het stuk zijn geheimen had ontfutseld, werd het uitgangspunt voor een leermethode. Een boek en een cassette met maar liefst 138 muziekvoorbeelden moesten 8- tot 12-jarigen vertrouwd maken met de "moeilijke" taal van de moderne muziek. En in januari 1984, bij een groot Varèse-project, leverde het Ensemble de prestatie het stuk volledig uit het hoofd te spelen.

Het ASKO maakte snel naam, ook in het buitenland. Zo oogstte het orkest in 1970 (als eerste amateurgezelschap) succes op het Warschauer Herfst-festival. Kort daarna vertrok Jan Vriend, waarna het orkest werd geleid door uiteenlopende dirigenten als Reinbert de Leeuw, Hans Vonk, Ed Spanjaard en Koos Terpstra.

Er kwam een beetje de klad in. Een brief aan de leden, eind 1973: Studeer Webern even op toonvorming en misschien lukt het ook nog om iets aan de zuiverheid te doen?

De komst van de Amerikaanse dirigent/componist Cliff Crego bracht vanaf 1974 de ontwikkelingen op gang die het ensemble maakten tot wat het nu is.

Het Asko werd het verlengstuk van een ideologie. De "didactische taak" en de "samenwerking met componisten" kreeg ieders volle aandacht. In eindeloze werkgroepvergaderingen werd gediscussieerd over funksie en repertwaar van het Asko.

Vriend blikt er met enige afschuw op terug: "Die overlegstructuren waren typische produkten van de democratiseringsgolf. Het was verschrikkelijk. De frustratie was dat het maar zelden voorkwam dat je over een concreet muzikaal onderwerp kon praten."

Maar ondertussen sloeg het heilig vuur waarvan Crego bezeten was over naar de musici. Behalve lezingen en "leerconcerten" organiseerde het Asko grote concerten, zoals een elektronikaproject (met Laborintus II van Berio) en een Varèse-Xenakis-programma.

Er kwam meer subsidie en een eigen kantoor. Het orkest werd steeds beter, maar ook professioneler. De amateurs maakten geleidelijk plaats voor conservatoriumstudenten. En die waren na verloop van tijd geen studenten meer. Niveauverschillen in het orkest leidden tot het ontstaan van een "groot" en een "klein" ensemble, twee groepen die meer en meer hun eigen weg gingen.

In 1978 was de splitsing tussen het (professionele) Ensemble en het Orkest (merendeels conservatoriumstudenten) definitief. Het Asko kreeg in die tijd nog een derde poot, het Asko-(amateur)koor. In het Holland Festival van 1979 gaf het zijn eerste grote concert, een uitvoering van Kagels Chorbuch. Daarvoor waren veertig megafoons nodig. Het grootste deel van die collectie is intussen in omloop geraakt bij het Amsterdamse actiewezen.

Heel eventjes leek het Asko zijn "brugfunctie" gerealiseerd te hebben: een bundeling van amateurs, muziekstudenten en beroepsmuzikanten. Maar van samenwerking tussen de drie geledingen kwam niet veel terecht. Het Ensemble besteeg steeds hogere toppen, waardoor het koor en het orkest in de coulissen belandden. Het orkest treedt tegenwoordig op als Musica Moderna Amsterdam en moest worden omgedoopt omdat de twee Asko-gezelschappen voortdurend door elkaar gehaald werden.

De "componisten-werkplaats", die moest leiden tot een kruisbestuiving tussen componisten en muzikanten, bracht een paar goede muziekstukken voort, maar ook veel irritatie en wrijvingen. De werkplaats werd geluidloos opgeheven toen de "harde kern" van Asko-componisten uiteenviel.

Jan Vriend ("ik heb veel sympathie verspeeld") vestigde zich in Engeland. Cliff Crego vierde bij het Varèseproject van 1984 zijn laatste triomfen en trok zich daarna gedesillusioneerd terug in de Zwitserse Alpen.

"Het Asko-ensemble is nu qua organisatie en structuur niet wezenlijk anders dan andere ensembles of orkesten", vindt componist Klas Torstensson, eveneens lid van de voormalige werkplaats.

Maar Asko~componisten en -ensemble zijn elkaar trouw gebleven, al zijn veel van de buitenmuzikale idealen vervlogen. En de organisatie zit niet stil. Zo is de serie Prom-concerten in Paradiso, (vanaf volgend jaar ook in andere grote steden), die een staalkaart biedt van verschillende Nederlandse modernemuziekgezelschappen, een Asko-initiatief.

Het ensemble, nu per project aangevoerd door verschillende dirigenten, maakt nog steeds het onspeelbare speelbaar, en het ontoegankelijke toegankelijk. Maar dat kost veel repetitietijd, en de titel van een Asko-nota uit 1980 is nog steeds actueel: Droog brood en spelen.

Het is jammer dat er van de honderden door het Asko uitgevoerde muziekstukken zo weinig op de plaat is gezet. Met name de registraties van de superieure Varèse-vertolkingen onder Crego liggen nog op de plank. Maar voor het 25-jarig jubileum (al in 1991) staat een tweede Varèse-project op stapel, en er is goede kans dat ze dan alsnog worden uitgebracht.

Over de effecten van twintig jaar Asko-activiteit koestert Jan Vriend weinig illusies: "Het officiële muziekleven heeft het Asko, denk ik, gebruikt als een alibi om zelf geen'hedendaagse muziek uit te hoeven voeren."


© Frits van der Waa 2006