Let op: de website is verhuisd naar fritsvanderwaa.nl

de Volkskrant, Kunst & Cultuur, 16 december 2013

Nelsons heeft het

Debussy/Escher, Britten en Rachmaninov, door het Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Andris Nelsons. 12/12, Concertgebouw, Amsterdam. Radio 4: 29/12, 14.15 uur

Het programma dat het Koninklijk Concertgebouworkest deze week bracht had een januskop. Voor de pauze kleinschalig en progressief, na de pauze grootschalig en retrospectief. Die twee zo verschillende blokken werden aaneengesmeed door de geest van avontuur die dirigent Andris Nelsons door de noten liet waaien. Nelsons, pas 35 jaar, is in korte tijd een begrip geworden. Hij is een leerling en landgenoot van KCO-dirigent Mariss Jansons, wordt al getipt als diens opvolger, voert de scepter over orkesten in Birmingham en Boston, en ja, hij heeft het. Het soort charisma en betrokkenheid dat orkest en publiek op het puntje van hun stoel brengt. En een ontwapenend gebrek aan sterallures, te oordelen naar de bescheiden, bijna nederige manier waarop hij het applaus in ontvangst nam en zijn musici alle lof toezwaaide.

Het mooiste, verfijndste en onovertroffen onderdeel van het optreden waren de Six épigraphes antiques van Debussy, in de prachtige orkestratie van de Nederlander Rudolf Escher, die de Franse toets van het werk benadrukte met fluiten, harp, celesta en een minipaukje. De zes korte delen bieden oriëntaalse dansmelodieën, een vleugje jazz, met een paar penseelhaartjes geschilderde gewassen tinten en dat alles werd door Nelsons uitgelicht met een subtiele gebarentaal die bijna strijdig leek met zijn grote hoekige lijf.

De onderdelen van Benjamin Brittens Les Illuminations zijn evenmin lang en minder veelkleurig omdat de instrumentale bezetting slechts uit strijkers bestaat. Desondanks klonken de gebroken drieklanken waarmee het werk opent bijna als trompetten. Ian Bostridge is met zijn slanke, maar krachtige en uitgesproken onlarmoyante tenorstem een ideale vertolker van deze Rimbaud-verklankingen. Geweldig was de vrijmoedigheid waarmee hij het voorlaatste onderdeel, Parade, aanpakte en het soms bijna uitschreeuwde als een marktkoopman zonder een moment onbeschaafd te klinken.

Rachmaninovs Symfonische dansen uit 1940 was het recentste werk op het programma, maar het klinkt eerder naar laat-19de-eeuwse romantiek in de trant van Rimski-Korsakov, met een vleugje jonge Stravinsky, of zo je wilt naar Hollywoodmuziek van het betere soort. Nelsons gaf de vervoering waarop de componist mikt het volle pond, maar belichtte ook mooi de opbouw uit kleine celletjes in het eerste deel en de lastige ritmische spelletjes in het derde deel. Knap is ook dat hij het geluidsniveau van het orkest binnen de perken hield. Dat hij dynamiek, tijdsindeling en orkestkleur plooibaar maakt, is op zichzelf niet verwonderlijk. Het verbazende is dat hij het allemaal tegelijk doet – met dank aan de musici die schijnbaar moeiteloos meezwenken onder zijn knedende hand.


© Frits van der Waa 2013