Let op: de website is verhuisd naar fritsvanderwaa.nl

de Volkskrant, Kunst & Cultuur, 15 februari 2020

Een onvoorwaardelijk geloof in de muziek

REINBERT DE LEEUW 1938-2020

'Een méésterwerk!' Als Reinbert de Leeuw ergens enthousiast over was, stak hij dat niet onder stoelen of banken. De Leeuw geloofde onvoorwaardelijk in de muziek die hij uitvoerde, dus waren de stukken die hij uitvoerde in zijn ogen altijd meesterwerken – voor minder deed hij het niet. Zijn uitvoeringen waren compromisloos, bevlogen en bijna altijd maatgevend.

In Reinbert de Leeuw verliest het Nederlandse muziekleven een van zijn markantste voormannen, die meer dan een halve eeuw lang als dirigent, pianist, componist en bestuurder zijn stempel heeft gedrukt op de muziekpraktijk.

Van rebel groeide hij uit tot een autoriteit, volgens sommigen zelfs tot cultuurpaus. Maar de invloed die De Leeuw uitoefende, stond altijd ten dienste van de muziek. Het ging nooit om hemzelf. Het mócht zelfs niet om hemzelf gaan: zo sprak hij in 2014 zijn veto uit over een aan hem gewijde biografie van Thea Derks. Het boek kwam er overigens toch, maar ongeautoriseerd.

De Leeuw werd op 8 september 1938 geboren aan de Amsterdamse Koninginneweg, een buurt waar hij het grootste deel van zijn leven woonde. Zijn ouders, beiden psychiater, stierven jong, zodat hij op zijn 18de zijn eigen weg moest zoeken. Nog tijdens zijn studie piano bij Jaap Spaanderman en compositie bij Kees van Baaren werd hij docent aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. In 1961 leerde hij componist Louis Andriessen kennen, die een vriend voor het leven werd en van wie hij alle grote werken heeft gedirigeerd.

In de jaren zestig liet hij van zich horen als lid van de Notenkrakers, een actiegroep die pleitte voor een progressievere artistieke koers bij het Concertgebouworkest in Amsterdam. Met vier ander componisten uit deze groep schreef hij de collectieve opera Reconstructie, die in 1969 voor de nodige ophef zorgde.

Hij maakte zich sterk voor onbekende componisten, zoals George Antheil en Charles Ives, over wie hij samen met de schrijver Bernlef een boek schreef. Hij componeerde een groot orkestwerk, Abschied (1973) en de opera Axel (1977), samen met Jan van Vlijmen. Uit die werken blijkt al zijn hang naar een grote expressie, naar het voorbeeld, maar niet regelrecht met de middelen van de Romantiek.

'Ik ben altijd mateloos geïnteresseerd geweest in die periode van de laatromantiek, grofweg van 1880 tot 1914, soms was het haast een obsessie', zei hij in 1986. 'Er is geen periode in de muziekgeschiedenis te bedenken waarin van het ene jaar op het andere zulke verpletterende stukken zijn geschreven.'

Het componeren raakte bij hem op de achtergrond, zeker toen hij zich over de Haagse club van conservatoriumstudenten ontfermde die vanaf 1974 het Schönberg Ensemble zou heten. Daarmee zette hij in de loop der jaren de complete kamermuziek van Schönberg, Berg en Webern op de plaat. Wellicht tot zijn verbazing scoorde hij een grote hit met zijn eigenzinnige, opvallend langzame vertolkingen van pianowerk van Erik Satie. Tussendoor ijverde hij voor allerlei vernieuwingen in de muziekpraktijk, en stond hij aan de wieg van het Fonds voor de Scheppende Toonkunst, dat componisten een redelijk honorarium moest bieden.

De jaren tachtig en negentig waren zijn glorietijd. Hij werkte samen met door hem bewonderde componisten als Olivier Messiaen, György Ligeti en Mauricio Kagel. Regisseur Cherry Duyns, een trouwe wapenbroeder, maakte daarover de onthullende serie Toonmeesters, die prachtige momenten bevat, zoals zijn eerste gesprek met de mensenschuwe Russische componiste Galina Oestvolskaja, die zelfs niet in beeld gebracht wilde worden. Oestvolskaja's compromisloze muziek, met haar gehamerde dissonante akkoorden, is exemplarisch voor de muzikale waarheid, of liever waarheden, waarnaar De Leeuw altijd op zoek was.

De passie waarmee De Leeuw zijn geliefde repertoire verdedigde ging zo ver dat hij soms recensenten op het matje riep wegens de 'schade' die ze de muziek toebrachten, of bij redacties op hoge toon eiste dat ze op non-actief gesteld zouden worden. Voor het oog van de wereld bleef hij echter altijd beschaafd en redelijk.

Hoewel hij ook internationaal aanzien genoot, vooral in de Verenigde Staten, maalde hij niet om roem of rijkdom, reed hij rond in een gebutste auto en hanteerde hij het scheerapparaat voornamelijk als hij weer het podium op moest.

In 2011 moest hij met lede ogen aanzien hoe veel van wat hij tot stand had gebracht in korte tijd werd gesloopt door de door de PVV ingeblazen cultuurbezuinigingen van het kabinet-Rutte I. De Leeuw bleef met zijn intussen tot Asko/Schönberg gefuseerde ensemble pleiten voor zijn oude liefdes, en werd met zijn welbespraaktheid een graag geziene gast bij DWDD, waar hij vooral opzien baarde met een uitvoering van 4'33", een 'totaal stil' stuk van John Cage. Ook zijn optreden in Zomergasten van 2014 (waar hij tijdens de vertoning van een beeldfragment van de gelegenheid gebruik maakte om een sjekkie op te steken) was memorabel.

Hij componeerde in 2014 toch weer een groot orkestwerk, Der nächtliche Wanderer, en bleef zijn blikveld verruimen. Zo dirigeerde hij vanaf 2013 een aantal malen Bachs Matthäus-Passion en, in 2018, de Johannes: vanwege zijn voorliefde voor het sublieme, het verhevene, eigenlijk een heel logische stap. Ook over De Leeuws Matthäus-liefde maakte Duyns een documentaire, waarin de 78-jarige muzikant verzucht: 'Ik zou nog wel een heel leven voor me willen hebben om me hieraan te wijden.'


© Frits van der Waa 2020